Meeliftend in de pels van de griffioen, telden de zakken van Mevr. Noah ook nog een verstekeling. Niet dat die veel moeite hoefde te doen om zich te verstoppen, want kiempjes zijn nu eenmaal niet te zien zonder een héél straf vergrootglas.
Kiempjes kan je eigenlijk ook nog maar amper ‘wezentjes’ noemen; op dezelfde manier dat je een appelpit geen appelboom kan noemen. Ze mogen dan wel minuscuul klein zijn, ze kunnen wél zelf kiezen tot welk nieuw soort wezentje ze willen uitgroeien: hoe ze er uit willen zien, of ze het liefst op het land, in de lucht of in de zee leven; en of ze het liefst broccolie eten voor de rest van hun leven, of toch liever bitterballen.
Elk kiempje begint met groeien wanneer het moment daarvoor is aangebroken – misschien brak dit kiempje’s tijd wel aan wanneer ze eindelijk eens van die stomme boot af konden. De geschiedenisboeken mogen dat dan wel handig vergeten te vermelden zijn, maar al na de derde, uitgeregende dag op de ark – in het gezelschap van onder meer een stel hautaine giraffen, kibbelende parkieten en zwaar zwetende zilverruggorilla’s – was niet iedereen nog even enthousiast over het uitstapje. Hoe langer de rondvaart duurde, hoe hoger de spanningen opliepen. Zo hadden de hazen – in het heetst van een zware ruzie over de moraal van één of ander fabeltje – de schildpadden zelfs overboord gewipt. Tot overmaat van ramp waren die bij hun landing in het water loeihard op de neus van een voorbij zwemmende vis terechtgekomen. En zo komt het dus dat er nu ook waterschildpadden bestaan; en dat hamerhaaien hun snuit zo ingedeukt is.
Vanuit de naad in de zak van Mevr. Noahs jas, keek Kiempje dagenlang naar al die excentriciteiten die Moeder Natuur tot leven had doen komen. Hoe meer diersoorten er de revue passeerden, hoe onzekerder Kiempje echter werd. Met zo veel variatie, kwam ook de angst om de Verkeerde Keuzes te maken. Kwestie van zeker te zijn niet uit te groeien tot iets waar de andere wezentjes mee zouden lachen, besloot Kiempje om tijdens de boottocht de meningen van alle andere wezentjes te vragen en bij te houden.
De eersten die een indruk nalieten op Kiempje, waren de kangoeroes. Die waren een rotsvast van overtuigd dat springen de meest beschaafde manier van voortbewegen vormde. “Want zelfs de snelle viervoeters die spurten, springen eigenlijk meer dan ze lopen,” klonk het overtuigend. Aangezien de apen allemaal verkondigden dat je een dier zonder staart (om mee in de bomen te hangen) eigenlijk geen dier kon noemen, besloot Kiempje om het beste van twee werelden te combineren. Een hele lange staart die kon opgedraaid worden tot een veer om mee te springen. Daar bovenop zou ook nog een zwemstaart komen, om net als de dolfijnen ook vanuit het water op te kunnen springen. Daarom zou Kiempje het springerigste wezentje van allemaal worden.
Van de urenlange (en heel wetenschappelijke) voordracht die de mestkevers hielden, had Kiempje niet erg veel begrepen. Het kon dus niet anders dan dat zij Bijzonder Slim waren, en dus leek het verstandig om hen te volgen in hun conclusie dat bollen de meest perfecte vormen waren die er bestonden. Die claim werd alleen maar kracht bijgezet toen de ark per ongeluk wat te dicht tegen de Noordpool had gevaren en de ijsberen een mooie grote sneeuwman hadden opgezet. De horror van het daaropvolgend sneeuwballengevecht zal ik jullie besparen, maar laat het ons erbij houden dat de pinguïns sindsdien niet meer kunnen vliegen.
De griffioenen beklaagden zich dan weer non-stop hoe ze in de zakken van mevrouw Noah niet rond konden vliegen. Aan hun uitleg te horen, was het voor Kiempje moeilijk om zich nog in te beelden hoe een leven zonder vleugels eigenlijk wel mogelijk was, dus die konden duidelijk ook niet ontbreken. De hommelbijen voegden daar nog wijselijk aan toe dat het niet de grootte van de vleugel is die telt, maar wel hoe hard je ermee flappert.
De vogels hadden dan weer weinig moeite om Kiempje te overtuigen van het nut van lange snavels, door te demonstreren hoe men daar makkelijk potten choco mee kon leegeten. In de week dat de hele boot in de ban was van de kittens die geboren waren bij de poezen en souvenier-diadeempjes met kattenoren droeg, besloot Kiempje dan maar om ook zulke oortjes te zullen doen groeien.
Nu de visie stilaan vorm kreeg, kon Kiempje niet wachten om die met de hele boot te delen. Hoe enthousiaster Kiempje echter vertelde, hoe negatiever de reacties. De Slimme Dieren (zoals de uilen en de raven) wezen op allerlei fouten met Grote Woorden zoals “genus” en “evolutieleer”; de Werkdieren (zoals de bevers en de ossen) hadden het over “mechanische mankementen die tot structureel falen zouden leiden; de IJdele Dieren (zoals de pauwen en de paradijsvogels) gebruikten simpelweg het woordje lelijk. Kiempje geraakte helemaal ontredderd. Wat nu gedaan? Het had toch rekening gehouden met de wensen van alle dieren, nagedacht tot het bijna pijn deed, voorzichtig voor- en nadelen afgewogen? Mevr. Noah, die Kiempje al die tijd stilletjes laten doen had, sprak zachtjes:
Mij-Zijn
Is Vrij-Zijn
Dus wees jezelf
en niemand anders,
belezen elf of olifanterfanters
Wie ben ik?
Wat een vraag!
Zoek het antwoord
al is’t gestaag
Want Mij-Zijn
is Vrij-Zijn
en Mij-Zijn
is Blij-Zijn
“Tjah…” zuchtte Kiempje, “mezelf zijn… maar hoe begin ik daar aan?”
De Keerkring

