Varenstaartje

Het varenstaartje is ontstaan in de oude bossen, en is het resultaat van een symbiose tussen varens, vogels en paddenstoelen.

Deze paddenstoelachtige heeft een hoed met nerven ipv stippen. De ring op zijn steel is in de loop der jaren geëvolueerd tot twee flapjes die dienst doen als vleugels en waarmee hij zich kan verplaatsen. Zijn zwamdraden zijn op hun beurt geëvolueerd naar ontelbaar veel minidraadjes met weerhaakjes, die hij na zijn vlucht in de grond plant om goed stevig te staan. Op zijn steel groeit een soort kelk waarin een varenachtig staartje zit opgerold dat in het voorjaar, samen met de planten, uitrolt tot hoog boven zijn hoed. Zijn ontrolde staart heeft zo iets weg van een grote veer, die als een parasol over het wezentje heen gebogen hangt zodat het niet uitdroogt in de zon. Het is echter wel degelijk een varenachtig blad, voorzien van sporendoosjes. Als de sporendoosjes rijp zijn, vliegt hij rond met een ontrolde staart, en strooit hij sporen in het rond.

Het varenstaartje gedijt het beste in oerbossen. Daar kan een deel van de sporen nog tot bloei komen. Varenstaartjes zijn soms genoodzaakt nieuwe oorden op te zoeken omdat de oerbossen verdwijnen, maar kunnen helaas niet overleven in andere biotopen. Ze zijn zeer honkvast en gewend aan de biotopen van oerbossen. Dat maakt dat ze met uitsterven bedreigd zijn.

Pegode