De Drakinos
“Honger. Honger. Scheurende honger”. De drakinos had honger. Springend van tuin naar tuin op zoek naar een boeiend hapje, een speels kind ligt fijn op de tong. Gonzend gegiechel joeg de drakinos over een laatste tuinhek. Daar stond een huis of kasteel, zo fraai was het ondanks de kleine afmetingen, dat schitterde in de zonnestralen die tussen de omstaande bomen door schenen. Te midden van al die pracht en praal zat zijn prooi. Twee krulstaartjes deinden in de wind terwijl zijn prooi op een schommel heen en weer zwiepte. Zo had hij zijn prooidieren het liefst: uitgestald, alleen en zich van geen kwaad bewust. Al snel zou dat gegiechel overgaan in een rinkelende schreeuw, daarna ritselend gorgelen… Dan kon hij zichzelf een cadeautje geven voor een goed gevonden maaltijd en zich in een nieuwe laag robijnrood hullen, zacht stromend en warm, als de fijnste stof.
Hij zette er de pas in en vloog naar het meisje. Kaken opengesperd. Baf. Omdat geen enkele drakinos een neus heeft, vloog deze met zijn vlakke gezicht, deng, tegen een hard vlak. Steen? Daar was het te glad voor. Nog schommelend op zijn poten keek hij omhoog. Nog steeds schommelde zijn prooi vlak voor zijn neus, maar hij kon er niet bij. Omdat zijn plots fel schitterende prooi het moeilijk maakte om nog te zien, draaide hij zich snel om. Verderop speelde zich een zeer gelijkaardig tafereel af: een schommelend prooidier. Hij snelde eropaf. Tanden ontbloot. Paf! Één van zijn stekels brak af bij deze tweede botsing met eenzelfde hard vlak. Knipperend keek hij omhoog. Opnieuw zag hij tussen de oogverblindende schitteringen zijn prooi schommelen. Hij draaide zich om. Nieuwe prooi. Gespot. “Wel veel prooi, hier”, dacht hij. Woest wierp hij zich in de strijd. Stekels recht. Klang! Versuft stond de drakinos recht. Dat ging een stuk moeilijker na deze derde botsing dan na de eerste. Hij keek zelfs niet meer op naar het vlakke schommelende meisje. Zo ging de drakinos nog een tijdje door. Brak nog een paar stekels. Kreeg een blauw oog. Stootte zijn twee kleine tenen en een dikke.
Toen hij uren later ziedend aan de andere kant van het huis wegstommelde keek hij nog één keer achterom. Dit verduivelde huis waar hij nooit of te nimmer meer een poot zou binnen zetten. Omdat hij door zijn ondertussen wazig zicht niet meer kon lezen, zag hij niet wat er op het bord naast de voordeur stond: “Welkom in het spiegel huis”.
Door Otis
