Het ontstaan van de Dromifant
De Dromifant groeide op in een stad vol met kunstlicht. Er was zoveel licht dat de nacht nooit meer langskwam. Niemand in de stad had ooit al een ster gezien. Niemand wist dat de sterren bestonden. Tot op een dag wanneer de Dromifant een snipper licht tegenkwam op de grond. Het was een licht dat hij nog nooit gezien had. Niet zoals de LED-lichten, flikkerlichten, verkeerslichten. Dit licht was anders. Hij wist alleen niet hoe anders. Hij pakte het snippertje licht voorzichtig op. Het knisperde in zijn handen, alsof het licht zijn eigen hartslag had. Hij droeg het mee op zijn slurf. Hij wist aan wie hij dit kon vragen! Hiervoor moest hij eerst naar het allerhoogste gebouw in de stad, wel honderden meters de lucht in.
Op het dak van het gebouw, zat de Dromifant al met zijn slurf in de wolken. Hij riep 3 keer: “Blauwe Korrekat! Blauwe Korrekat! Blauwe Korrekat!”. Hij wachtte en wachtte. Tot plots twee vuurballen tevoorschijn kwamen! Nee, geen vuurballen! Het zijn de ogen van de Blauwe Korrekat!
“Waarom roept u mij” galmde een diepe stem.
De Dromifant werd er een beetje verlegen van. Hij stamelde stilletjes: “Nou uh, ik vond iets en ik weet echt niet wat het is en u bent denk ik de enige die het gaat weten!”
Hij ontrolde zijn slurf en toonde zijn snipper licht. De Blauwe Korrekat keek met haar ene gouden oog, dan met haar andere gouden oog. Vervolgens rook ze eraan en toen had ze haar antwoord klaar.
“Dit, dit is een sterfragment”.
De Dromifant had nog nooit van sterfragmenten gehoord. De Blauwe Korrekat begon aan een lange uitleg. Over hoe er vroeger sterren waren wanneer de nacht kwam. Hoe ze soms uit de lucht vielen en fragmenten van zichzelf aan de aarde schonken. Over hoe er nu teveel licht was om de sterren nog te zien, nog te horen, nog te voelen.
De Dromifant had een nieuwe missie. Hij wou de sterren terugvinden. Dus vertrok hij op avontuur. Waar naartoe? Wel, als eerste naar de verre Zevende Zee. Daar woonde bijna niemand dus daar zou er vast nog donker te vinden zijn. De Dromifant vloog in de lucht en zette zichzelf op een wolk. Zo kon hij zweven tot de Zevende Zee.
Eenmaal bij de Zevende Zee was de nacht aangebroken. Hier was geen licht, nergens niet! De Dromifant had het nog nooit zo donker gezien. Hij riep: “Hallo!? Is daar iemand?”. In het zeewater hoorde hij iets spetteren. Er steeg een lichtje op uit het water. In het water vormde zich een blauwpaarse schijn. Een klein vinnig wezen kwam aangezwommen. Het stelde zich voor: “Hoi, ik ben Blompje, wilt u een ritje naar de onderwereld?”
Nu was de Dromifant echt helemaal in de war. Eerst het donker en dan een onderwereld?
“Nee, dank je, ik ben op zoek naar de sterren in het donker” zei de Dromifant.
“De sterren in het donker? Ah, daar moet je een beetje verder voor zijn. Aan de klif, op een hoge toren, daar waar het meeste donker is, daar vind je de sterren. De sterren vind je enkel waar het donker mag zijn.”
De Dromifant zweefde verder op pad. De dag brak aan en in de schemering zag hij een toren in de wolken. Hij zweefde de trappen op en wachtte op het dak geduldig de volgende nacht af. Ondertussen dacht hij na over wat Blompje hem vertelde. Over dat het eerst donker moet mogen zijn alvorens er sterren kunnen komen. In zijn stad was het nooit donker. Alles was altijd licht. Grote lantaarnpalen omringden zijn stad zodat nooit nog iemand bang zou zijn. Misschien kwamen de sterren daarom nooit meer langs.
Heel de dag dacht hij na. Wat kon hij hier toch aan doen? Hoe kon hij de sterren terugvinden in zijn stad? Kon hij de kunstlichten in zijn stad uitzetten zodat de nacht terug kan komen? Zodat het donker mag worden en de sterren weer mogen fonkelen?
De nacht viel. Eerst werd de lucht oranjeroze, dan werd hij paars en toen, toen werd het zwart. De Dromifant wachtte. Plots was er wit in het donker. Kleine stippeltjes kwamen tevoorschijn over het hele zwart. Het was het mooiste dat hij ooit al gezien had. Een van de stippeltjes viel naar de grond, recht op het dak van de toren. Het was een ster, een echte ster! De ster had hele verhalen te vertellen, over licht en donker, over de wensen die ze bijhouden, over de dromen die ze naar de wereld sturen en over alle plekken in de wereld die ze niet meer konden bereiken.
Nu wist hij het zeker. Hij moest de nacht terugbrengen. Hij moest dromen helpen verspreiden en wensen veilig bewaren tot ze uit kunnen komen.
Na zijn avontuur keerde de Dromifant terug naar de stad. Wanneer de nacht viel, schakelde hij samen met de stadswezens de kunstlichten uit. Hij zweefde tussen de sterren en de daken van de huizen. Dromifant wist nu wat hem te doen stond. Alles wat de sterren naar beneden stuurden, ging hij opvangen. Hij ging ze bewaren in droomdozen, wenslantaarns en in lichtflessen. En wanneer de kunstlichten doven, stuurt hij de bewaarde dromen terug de stad in.
Céline Degreef
