Het onweer, de boot en het eilandje met de vreemde diertjes

Er was eens heel heel veel regen en alle dieren zochten een schuilplaats. Aan de oever lag de boot van Noah  maar deze was helaas reeds volledig vol, er kon niemand meer bij.
In het woud verscholen zich nog vreemde dieren die zeer gek waren, niet kwaadaardig maar waar niemand het bestaan van kende.  Deze diertjes wilden ook graag overvaren naar een eiland verderop. Maar hoe zouden ze daar geraken?  Ze liepen samen naar de oever en tuurden in het rond.  De pauwstaartkrokodil ging op verkenning, ze sprong in het water en na een poosje kwam ze terug : ‘hallo lieve vrienden, er ligt een reuzen parasolboot, die kunnen we gebruiken om naar het eiland te varen.’ Het eilandje was hoog en zou zeker niet onder water komen te staan.
Na veel moeite en omdat het water steeds hoger kwam, konden ze de boot aan de kant van het eilandje leggen. Een voor een kropen ze uit de boot en klommen naar boven naar de wattenstokplantjes die hen bescherming konden bieden. Daar zouden ze lekker droog blijven.

De dikkopeend kwam als eerste boven, ze kwaakte erop los. De uitkijkslang kroop als tweede naar boven. Ze kan haar stekelogen in de lucht steken en zeer ver turen en sissen bij gevaar. De streepmug vloog snel over iedereen heen en kwam als derde aan.  Als iemand stout is of niet goed luistert kan ze hard steken. Het vierde en vijfde diertje kwamen puffend boven. Zij zijn de magische penseeleenden die alles heel mooi kunnen kleuren. De pauwstaartkrokodil kwam als zesde rustig aangelopen, zij is niet gevaarlijk en pronkt graag met haar veelkleurige pauwenstaart. De tafelschildpad had het lastig, toch kwam ze nog als zevende aan.  Iedereen was blij, zo konden ze samen aan de tafel eten terwijl de schildpad geduldig afwachtte wie haar iets zou toesteken. Het achtste diertje was het konijn met het hertengewei.  Zij zal iedereen beschermen en als het nodig is met haar gewei verdedigen en vechten. Het negende diertje was een visje met een blauw kruis.  Zij zal iedereen verzorgen als ze ziek zijn.  Ze blijft wel aan de kant want op het land voelt ze zich niet zo goed. Het tiende diertje was het stippelzwijn, zij is heel slim en graaft diepe putten om in te schuilen. Het elfde diertje was Taki, hij heeft veel schrik. Zijn stok dient om een vuurtje te stoken. Het twaalfde diertje was de egeleend, zij kan haar pluisjes in de lucht steken.

Al deze diertjes waren nu veilig op het Wattenstokeilandje.  In de verte zagen ze de boot van Noah voorbijvaren. Toch waren alle diertjes een beetje verdrietig en bang.  Ze zagen het water stijgen. Hoe zouden ze zich dan redden? ‘Ik weet het,’ zei de pauwstaartkrokodil, ‘dan zwem ik naar het bootje en kunnen we samen varen.  Ooit zal het water zakken en dan kunnen we weer aan land gaan.’

Door Madeleine van Geet (9)

& Eloise van Geet (6)

Geïnspireerd door ‘Mrs Noahs Pockets‘