Mensenwensen

Daar zat ik dan, op de nok van het dak. Alwaar de mensen (en hun zorgen) net-dat-beetje kleiner lijken, en de sterren net-dat-ietsje dichterbij; met een opkomende maan als enige metgezel. Zo nu en dan blies een zomerbriesje wat rumoer tot bij mijn oren – het geluid van de verhalenvertellende Ceppeschepsels die hoog in de eikenboom naast het huis wonen. Applaus en schatergelach deden vermoeden dat zij zich beter gestemd voelden dan ik.
Al mijmerend vroeg ik me af wat de sleutel tot hun geluk zou zijn. Om te beginnen leek hun leven alvast een stuk eenvoudiger. Nu ja, achter de schermen een heel bos draaiende houden zonder daar ooit erkenning voor te krijgen, zal ook niet evident zijn. Maar toch… hun bestaan lijkt simpeler, afgelijnder. Ergens besef ik wel dat al die menselijke complexiteit uiteindelijk ook maar hersenspinsels zijn waarmee we ons het leven onnodig moeilijk maken. Tegelijkertijd kan je niet langer naast de uitdagingen van onze tijd kijken: oorlog, angst en haat, onrechtvaardigheid en ongelijkheid – ze lijken allemaal zó echt. Verklaarbaar met grote-mensen-woorden zoals geopolitiek of socio-economisch, en desalniettemin volstrekt onbegrijpelijk. Een mens zou er nog droeviger dan een duizendoog van worden; en zo voelde ik me ook.
Door machteloosheid bewogen, sloegen mijn tranende ogen zich ten hemel. Bij elk sterretje dat mijn blik kruiste, hoe vaag ook, deed ik hulpeloos een wens. Geen duizenden verschillende, zo veeleisend ben ik niet. Nee, steeds één en dezelfde: Vrede, voor iedereen, langs binnen en langs buiten. Natuurlijk weet ik best dat sterrenwensen enkel uitkomen als je ze doet bij een vallende ster, maar ik wilde nu eenmaal niets aan het toeval overlaten. Vanop zo’n grote afstand weet je immers nooit of een ster al wankelend net op het puntje van vallen staat; of dat misschien ergens voorbij je blik, in een verre uithoek van het heelal, er toch net eentje naar beneden tuimelt. Eens ik na een tijdje bij elk sterrenstipje had stilgestaan, kon ik het idee niet van me afschudden dat ik er per ongeluk één of twee had overgeslagen. Omdat het typisch iets voor mij zou zijn dat precies die twee dan wenssterren bleken te zijn, begon ik voor de zekerheid opnieuw; nog wat vuriger dan daarvoor.
Net toen ik bijna driekwart halverwege was, schoot er iets van rechts naar links door mijn gezichtsveld. ‘Focus!’ maande ik mezelf aan, en slaagde erin de ster waar ik gebleven was weer terug te vinden. Iets later vloog het diertje echter opnieuw voorbij; en dan nog eens, en nog eens, en nog eens, en nóg eens… en nog eens… tot daar mijn concentratie. Omdat ik door het lange sterrenturen wat wazig begon te kijken, sloot ik eventjes mijn ogen. Daar trof ik op mijn netvlies een exacte kopie van de sterrenhemel aan, die al snel begon te dansen en te vervagen. Gelukkig maar, want als je continu de sterren ziet, vind je er na een tijdje niets speciaals meer aan – en dat zou ik jammer vinden. Het voorbijvliegende diertje was intussen stilletjes naast me op het dak komen zitten, en deed me opschrikken met diens schrille stem: ‘Zeg copain, ge hebt toevallig niks te eten voor een arme, hongerige, lijdende Gwizdo?’
‘Oei, waar lijdt je dan aan?’ vroeg ik bezorgd.
‘Awel, aan honger, ik zeg het u toch! Vragenzager!’
De felgekleurde vogelsoort had zijn reputatie van ‘opvliegend’ blijkbaar niet gestolen. Ietwat geïntimideerd reikte ik hem een stukje gedroogd eekhoorntjesbrood aan. Dat kreeg ik af en toe van de Ceppeschepsel-buren als dank voor het verplaatsen van wat dode takken. ‘Bweik!’ met een blik vol afgunst deed de vogel een poging tot het wereldrecord ver‑spugen, ‘Alle gortigheid op een stokje! Dierenbeul! Met voorsprong het viezigste brood dat ik al heb gegeten – en ik heb ooit een stuk boterham gekregen van een pipo die niet wist dat muizenstrontjes een ander woord voor hagelslag is!’
‘Eekhoorntjesbrood is geen echt br—’ probeerde ik, maar de Gwizdo’s afgunst had duidelijk meer woorden nodig, want hij onderbrak me abrupt. ‘Wel die eekhoorntjesbakkerij gaat rap failliet zijn, zeg dat ik het gezegd heb!’
‘Dat zijn paddenstoe—’
‘Hebt ge zo toevallig niks van fruit in uwe frigo liggen? Met aardbeiensmaak?’
‘… aardbeien bedoel je?’
‘Awel ja, zo een aardbeike of drie-, vier-, vijfentwintig zou wel smaken, nu ge het zegt.’
Toevallig had ik wel aardbeien in huis, maar omdat ik conflicten liever schuw en deze vogel er bij elke zin één in mijn gezicht flapperde, koos ik voor een handigheidje: ‘Euhm, voor aardbeien moet je in Hoogstraten zijn.’ terwijl vaag in de richting van de Antwerpse Noorderkempen wijzend. ‘Aardbeien zijn echt het lekkerste wat er is.’ werd ik genegeerd. ‘Appels kunnen ook wel lekk—’
‘NEE, AARDBEIEN ZIJN DE BESTE ZEG IK U! Smaakpaljas!’ interrumpeerde de vogel met de heftigheid van een voetbalsupporter die zijn clubkleuren verdedigt – misschien barstte de Gwizdo zo meteen ook wel uit in een luid scanderen van ‘Aardbeien till I die’.
‘Uuuuugh,’ klonk er plots kermend onder ons. Door de hevigheid van mijn gesprek met de Gwizdo was het ons beiden helemaal ontgaan dat een toehoorder zich in de dakgoot had neergelegd. Die leek zich niet al te best te voelen – hevig ademend ging zijn bolgespannen buikje op en neer, en zelfs met het witte maanlicht in acht genomen zag hij er erg bleekjes uit. ‘Hallo, ik ben Luminolleke, het universumtrolleke.’ ging hij laboreus verder.
‘Oei, voelt u zich wel goed? Kan ik iets voor u doen?’ reageerde ik opnieuw bezorgd.
‘Hij zal ook honger hebben!’ diagnosticeerde de Gwizdo gezwind. ‘Geeft hem ook maar wat aardbeien, daar zal hij wel terug kleur van krijgen.’ Die woorden schenen het universumtrolletje geen goed te doen, want terwijl zijn buikje eens hevig opschudde, weerklonk een luide oprisping en draaiden zijn oogjes eventjes weg van de misselijkheid. ‘Nee, ’t is niet de honger die ik mij beklaag, maar wel mijn overvolle maag!’
‘Spreekt gij altijd in rijm?’ vroeg de felle vogel naast mij met een stem vol irritatie.
‘Zo nu en dan – als het gaat en als het kan.’ met wat moeite draaide Luminolleke zijn hoofdje en richtte zich tot mij, ‘Stop met al uw wensen alstublieft, merci en please; want door al het wensgeschrans, voel ik mij echt vies!’
‘Stopt gij maar eerst met rijmen, of sebiet kunt ge uw tanden lijmen! Verzenperser!’ Het geduld van de gemiddelde Gwizdo verschilt blijkbaar niet zo veel van een inktpatroon voor printers – op voor je het weet.
‘Geen wensen meer doen? Hoezo niet?’ vroeg ik ter verduidelijking, mijn verontwaardiging zo goed mogelijk verbergend. ‘Wensen eten is mijn werk, het maakt niet uit hoe klein of groot; maar met al uw vredeswensen, eet ik mij straks nog doo…’ na een verschroeiend waarschuwende kuch van de Gwizdo corrigeerde Luminolleke zich nog net op tijd, ‘…euhm, te pletter.’ Meer had de Gwizdo niet nodig om van leer te trekken. ‘Golle mensen toch… luchtvervuiling, waterverontreiniging, lichtpollutie, geluidsoverlast, en nu ook nog wensbezoedeling! Bende wensenspetsers! Maar oh wee als er eens een vogel op hun nieuwe BMW schijt omdat hij per ongeluk twee kilo iets-te-platte pruimen heeft gegeten, dan is het kot te klein! Van eten gesproken, hoe zit dat hier in feite met mijn aardbeien?!’
Mijn verontwaardiging ging echter ergens anders over: ‘Maar pardon beste Universumtrol; hoe kunnen mijn wensen ooit uitkomen als u ze allemaal opeet?’
‘Niet elke wens kan in vervulling gaan helaas… Dat beslis niet ik, maar wel mijn grote baa… overste.’
‘Ah… en wat is daar de oorzakelijk bepalende reden voor, als ik vragen mag?’ hield ik vol met het doorzettingsvermogen van een kleuter die net het woord waarom geleerd heeft. Luminolleke wisselde het rijmen even voor een monotoon afhaspelen: ’Handleiding der Universumtrollekes, sectie 4, artikel 23d: Onder onvervulbare wensen verstaan we de volgende: (a) Wensen die zichzelf teniet doen; stel bijvoorbeeld dat iedereen rijk zou zijn, dan heeft ‘rijk’ geen betekenis meer en is bijgevolg niemand nog rijk. (b) Wensen die elkaar teniet doen; bijvoorbeeld wanneer de ene vrede wenst en de ander oorlog. (c) Wensen die in strijd zijn met de vrije wil of karma van—’
‘Ho, wacht even… er zijn mensen die om oorlog wensen?’
‘Misschien niet zo letterlijk gesproken of gezegd, maar wel al denkend bij verschil van mening of gevecht… Elk soort wens is mogelijks een hapje, en elkaar verwensen is óók wensen, snap je?’
De felgebekte vogel naast me sloeg een ijle kreet uit toen ik hem net op tijd bij de staart griste wanneer hij hevig opsprong om de ogen van onze rijmende bezoeker te gaan uitpikken. Die was zelf gelukkig te druk bezig met misselijk zijn om iets te merken en ging rustig verder. ‘Iedereen wil graag een betere wereld voor zichzelf en hun omgeving; maar over hoe die er uitziet of hoe men daar geraakt, verschilt men vaak van mening. Vanuit hun eigen standpunt heeft ook iedereen gelijk, dus wie zijn wij om te bepalen wat er kan en mag in de praktijk?’
Dat hield natuurlijk ergens wel steek. De drang naar vooruitgang en verandering gaat bijvoorbeeld steeds wat wrijving hebben met de hunkering naar vertrouwdheid en traditie. Mijn machteloosheid gaf zich echter niet zo gauw gewonnen. ‘Wil je dan zeggen dat we nooit iets moeten proberen veranderen, hoe verschrikkelijk ook?’ Luminolleke, die toch al wat meer kleur gekregen had, hief zich met moeite recht. ‘Natuurlijk niet! Protesteer, roep, stel grenzen, wat je maar wil; maar vertrek uit wat verbindt, en niet vanuit verschil. Iedereen heeft een verhaal en een verleden, en meestal vind je daar voor hun gedrag de reden. ’t Gaat er meestal niet over of het ene beter is dan het ander, toch dan wel althans: zoals bij de meeste dingen in het leven gaat het om balans.’
‘Weet ge wat er nog zo goed is aan aardbeien?’ onderbrak de Gwizdo, die duidelijk vond dat het gesprek lang genoeg niet over hem gegaan had. ‘Dat is de enige vruchtensoort waarvan de zaadjes aan den buitenkant zitten.’
‘Je bedoelt dat wij zoals een aardbei de Vrede in onszelf kunnen ontdekken en ze van daaruit uitdragen, in plaats van onze broze, ingebeelde identiteit kost wat kost te beschermen?’ probeerde ik de filosofische aard van het gesprek te redden. ‘Nee – ik bedoel dat ge daardoor niet op zo’n viezige, harde pit kunt bijten.’ Omdat niemand daar iets aan toe te voegen had, bleef het eventjes stil.
Het universumtrolletje keek eens naar de stand van de maan. ‘Oei, is het al zo laat? Tijd dat dit trolleke weer aan het werken slaat! Overdag zijn we met genoeg voor het verwerken van alle wensen, zij het luid-geroepen of geschreven in schoonschrift; maar momenteel sta ik er maar alleen voor tijdens de laat-nachtelijke shift. Van mijn honger ben ik nu wel beroofd; dus stop alsjeblieft met wensen voor vanavond, beloofd?’
‘Beloofd,’ knikte ik.
‘Denk eraan,’ begon het trolletje terwijl het zich van ons wegdraaide, ‘de wind die kan je niet beletten, maar je kan wel je eigen zeil verzetten. Salut, tot ziens en ciao; goodbye, adieu en ook tot gauw!’
Wat verwonderd staarden we naar hoe Luminolleke diepzeeduiker-gewijs het heelal in trappelde met zijn tengere beentjes – die zo losjes bewogen dat je de indruk kreeg dat ze op elk moment van zijn lijfje konden loskomen. In zijn zog liet hij het soort stilte na die je anders enkel aantreft in majestueuze kathedralen.
‘SLAGROOM!’ riep de felle vogel naast mij plots. ‘Het enige dat beter is dan aardbeien, zijn aardbeien met slagroom! Komt er nog wat van, want we kunnen niet allemaal op sterren-wensen teren hé copain.’ Alsof hij zichzelf voor het eerst hoorde praten, ontspande de gezichtsuitdrukking van de vogel zich plots helemaal. Zijn oogjes naar de grond richtend, vulde hij stilletjes nog aan: ‘… alstublieft bedoel ik, want het is voor u ook al laat natuurlijk.’
Het feit dat de Gwizdo blijkbaar toch iets van ‘de verzenperser’ had opgestoken, verraste me een beetje. Het deed me op mijn beurt bedenken dat de vogel misschien wel gewoon ambetant was van de honger.
Dus daar zaten we dan, op de nok van het dak, aardbeien met slagroom te eten. Of in het geval van de Gwizdo, te inhaleren. Hij was slechts één keer even gestopt om adem te happen en uit te roepen ‘rood en wit, de kleuren van den Antwerp!’ wat me veel harder deed lachen dan het eigenlijk grappig was. Met een snoet vol slagroomrestjes nam hij afscheid. ‘Amai merci wensenmens! Ik ben er dan maar eens mee weg, tot straks!’ De vogel was (letterlijk) al gaan vliegen toen de vraag ‘Hoezo tot straks?’ zich licht gepanikeerd aan mijn lippen presenteerde.
Terwijl ik langs het zolderraam van buiten naar binnen klauterde, dacht ik aan de woorden van Luminolleke; dacht ik aan het belang van binnenwerk – hoe we daar meer vat op hebben dan op de buitenwereld; en dacht ik aan hoe er kracht ligt in het naar buiten treden vanuit ons diepste binnenste, zoals de aardbei. Misschien is het dat wel dat de Ceppeschepsels al lang geleden hadden ontdekt – of gewoonweg nooit vergeten zijn.
Gert
